Als een dief in de nacht

Onze samenleving verarmt in hoog tempo. Ik schrik van de hoeveelheid discriminerende en rascistische opmerkingen die te pas en te onpas weerklinken uit zogenaamd zelfbehoud.
Je kan ook haast niks goed meer doen of er wordt gezocht naar het addertje onder het gras. De zoektocht naar persoonlijke vrijheid en eigen recht neemt dramatische proporties aan en verplettert het beetje participatiegedrag wat onze samenleving nog rest. … Het recht wordt steeds vaker in eigen handen genomen, emoties escaleren in dreigende taal en gebalde vuisten.
“Handen af van onze…” is de leuze die met priemende vingers en verwijtende blikken wordt gecommuniceerd.

Kleine zowel als grote momenten die de bedoeling hadden om plezier en samenhorigheid te brengen worden bedolven onder onbezonnen taal, achterdocht en zelfs haat of geweld.

Triest. Waar gaat het met onze maatschappij naar toe? “De maatschappij dat ben jij” was ooit een leuze. Er niets tegen doen, is wat mij betreft hetzelfde als meedoen. Maar hoe je je steentje bijdraagt ten goede of ten kwade kan niemand voor een ander bepalen.

Denk er eens over na… In wat voor maatschappij wil jij leven en hoe kan jij bijdragen aan de verwezelijking ervan?

Jaren geleden wist mijn broer het dramatisch heersende gedrag te vangen in een sinterklaasgedicht. Haat, homofobie, geweld… Alles wist hij erin te vangen.

Het gedicht op zich vond en vind ik behoorlijk grappig … Lees het op z’n Vlaams, lees de humor en tegelijk de tragiek:

Als een dief in de nacht.

’t is 5 december midden in de nacht,
ik lig in bed, de klok tikt zacht,
’t is 4 uur, ik maak me kwaad,
ik kan nie slapen, ‘k weet geen raad.

Plots, opeens en onverwacht,
gepiep, gekraak, geluid heel zacht.
Een voetstap, gebonk, een deur uit het slot,
Miljaar deju, iemand in mijn kot!

Een rover, bandiet, misschien de buren,
ik sluip, ik waak en zit te gluren.
Een donkere schim, een bruin gelaat,
Miljaar deju het is een Kroaat!

Ik vlieg erop en molesteer,
ik sla, ik schop en hij gaat neer.
Langs mij staat nog een illegaal,
‘k bewerk zijn smoel met nog meer kabaal.

Hij gaat neer en ik trap hem na,
hij brult en tiert en schreeuwt “Mamaaa”.

En dan staat daar een ouwe vent,
Bejaard, seniel en incontinent.
Hij zwaait en zwiert met ’n wandelstok,
’t is een janet: hij draagt een rok!

Ik denk, ik peins, wie is die vent?
Die baard, die jurk, ik heb hem gekend…
Miljaar de dieu, ik ken die dwaas,
’t is nondedoeme de Sinterklaas !

IMG_4972.JPG

Als goed doen niet goed voelt…

En dan sta je daar … je voelt je schuldig omdat je hem de deur uitwerkt. Maar wat moet je anders? Je moet zelf weg en je kan een wildvreemde toch niet alleen in je huis laten. We hadden hem al laten overnachten…

 

Het wordt me wel vaker verweten, het te naïef zijn, ondoordacht of té menselijk handelen. Gister zag ik op straat een oud mensje lopen, in de vrieskou, over de ijzel met haar rollator, een onzekere blik in de ogen. “Dag mevrouw, gaat alles goed?” “Ik moet bij de tandarts zijn, waar is die?” Nou, niet bij ons in de straat iig. Bleek dat ze helemaal verkeerd gerollatord was en bij een tandarts ad andere kant van het dorp moest wezen. Ik moest eigenlijk boodschappen doen om daarna op tijd op mn werk te verschijnen… “Kom maar mevrouw, ik breng u wel even.” De modderige rollator op de achterbank (die moet ik nog steeds schoonmaken) en hup het dametje naar plaats van bestemming gebracht. Daarna was het een race tegen de klok om alles op tijd voor elkaar te krijgen. Maar ach ja, je goede daad heb je dan maar verricht…

 

’s avonds tegen 23:00 uur kwam Jurgen thuis. Brengt zijn spulletjes naar boven en met een twijfel op zn gezicht ploft hij naast me neer. “?” “Ja, der loopt buiten bij de flat een man… zag ‘m daarstraks ook al. Staat al de hele tijd in de kou…” “Nou, misschien kan hij niet naar binnen, sleutel kwijt ofzo – maar je laat hem toch niet buiten staan?” Dus Jur naar buiten en een paar tellen later zit er een wildvreemde op de bank. Aardige vent met een heleboel praatjes, portemonee gestolen, geen geld, geen id, auto bij de garage in Friesland, was met iemand kunnen meerijden tot hier omdat hij bij een vriend kon logeren. Maar de vriend gaf niet thuis. Na veel vijven en zessen kwamen we achter het adres van die vriend. Daar gaan aanbellen (midden in de nacht) maar niemand doet open. Vreemd.  Nou, het zal allemaal wel, al liegt hij de hele boel aan elkaar, je kan een man niet in de kou laten staan – letterlijk-.  Eigenlijk dieptriest. Dan ben je 52 geworden en heb je niemand die je kan bellen om even een nachtje te pitten… niemand.

20 belletjes en heel wat vage uitleg en toestanden later geeft die  ‘vriend’ nog steeds niet thuis.  Tja…  Dan maar een luchtbed en slaapzak van boven gehaald en in de woonkamer gelegd. Stiekem toch de kids weer wakker gemaakt en verteld dat er een vreemd iemand in huis slaapt, dat ze niet alleen naar beneden mogen. Je weet immers maar nooit.

Uiteindelijk zelf ook maar in bed gekropen. De wekker extra vroeg gezet (ik wilde vóór de kids beneden zijn). Maar gerust was ik er niet op. Wat voor iemand heb je in huis? Het kan één of andere psychopaat zijn, een dief, moordenaar, verslaafde, … je weet het gewoon niet. ‘Goed doen’ is dan wel erg risicovol. Gebeden om bescherming. En tegelijk vroeg ik me af… er kan je iedere nacht allerlei naars overkomen… waarom dan juist nu je zo onveilig voelen?

’s ochtendsvroeg ging de wekker. Ik hoor gepraat beneden dus Seth kon weer eens niet slapen en was al naar beneden… ik had nog zo gezegd ..grr. Schiet mijn bed uit, kleren aan en vlieg nr beneden. Staat het heerschap zich doodleuk in mijn keuken, in de gootsteen te scheren… ongegeneerd gaan de armen omhoog en worden de oksels ingesmeerd met deo. Ik draai me vlug om, haal boven vlug een handdoek en washandje op… maar hij is al klaar. Tja, aanbieden dat hij kan douchen is nu ook zo raar. Dus ik zeg niks en zet koffie.

Wanneer de kids een uur later de deur uit zijn smikkelt het heerschap van zijn broodjes ei -die ik voor hem heb gebakken – gooit nog een klodder mayo eroverheen en slurpt van zijn koffie. En ik denk alleen maar “En nu? Wanneer gaat hij weg?” Maar hij gaat doodleuk verder met allerlei praatjes over ditjes en datjes. Eindelijk komt jurgen beneden aanzetten maar al snel verdwijnt ie naar boven. “Ja hallo!” Laat ie me gewoon zitten met die kerel. Ik wathsapp gelijk “JE KOMT NU NAAR BENEDEN EN WERKT HEM NU DE DEUR UIT”  Het is ondertussen al 10 uur geweest. Meneer belt luidruchtig met de ene na de andere arts (zo kom ik erachter dat hij van ’60 is). Maar hij regelt niets voor wat betreft een nieuwe id of wathever… Dus geef ik doodleuk het opzetje “Jur kan je zo wel naar Naaldwijk brengen.” “En wat mot ik daar?” “Nou, je kan naar het gemeentehuis je id regelen en daarna naar de bank een nieuwe pas. En dan naar huis.” “Ja maar ik heb nog geen sleutel van huis”

Grr… hij wil niet weg. Heeft hij wel een huis of loopt hij alles aan elkaar vast te liegen? Uiteindelijk vraagt hij mijn fiets. Maar dan weet ik dat hij ’s avonds terugkomt. “Jur brengt je wel.” En met jas aan komt jur de kamer inlopen. “Ik kan je nu brengen, zo heb ik andere dingen te doen.” Dus staat de meneer zuchtend op en trekt zijn jas aan. Hij laat zijn spullen echter staan…  “Heu, je vergeet je tas!” “Wat moet ik daarmee in naaldwijk? Ik kan het toch moeilijk de hele tijd meezeulen?” TJa, het is een zware tas. Maar als ik er straks weer ben heb ik pijn, zit ik met 2 kids en is Jur weg… En wat als we nog niet terug zijn uit het ziekenhuis… dan komt ie aan wanneer alleen de kids thuis zijn. Dat kan natuurlijk niet.

Ik ben het een beetje zat. Er is geen touw aan vast te knopen. Als hij nou eerlijk zegt wat er werkelijk aan de hand is, of wanneer hij eerlijk aangeeft wat hij nodig heeft, dan kan ik aangeven wat ons wel en niet past… Maar dit … Uiteindelijk is hij de deur uitgegaan zonder spullen. Gelukkig was Jur zo slim om te zeggen dat hij vanaaf in Naaldwijk studie geeft en dat hij zijn spullen daar kan ophalen. Nu moet ik de kids alleen nog informeren dat ze – als ze alleen thuis zijn- NIET voor hem open mogen doen. A, omdat ik het niet veilig vind en B omdat ik dan nooit meer van hem af kom vrees ik.

 

En ik vraag me af of we wel goed hebben gedaan aan onze ‘goede daad’. ‘Goed’ voelt het iig niet…